DE RODE BOSMIER

databank met informatie over de Rode Bosmier

DE RODE BOSMIER (Formica rufa)

In de volksmond ook wel brakken genoemd.

Komt vooral voor in bossen, (voornamelijk van naaldbomen).

Was vroeger algemener dan vandaag.

Eet bij voorkeur insecten, maar ook afscheidingsvocht van bladluizen. (Honingdauw; zie bladluizen)

De werksters zijn ongevleugeld en lopen snel.

De koningingen en mannelijke mieren doen een paringsvlucht.

Gevleugelde mieren zwermen van juni tot september; de bevruchte koningin kan ofwel naar haar eigen nest of een nieuw nest stichten.

Oude nesten herbergen vele koningingen.

De eieren ontwikkelen zicht tot witte larven, die in een cocon verpoppen.

De werksters kunnen enkel uit de pop ontsnappen met de hulp van volwassen exemplaren.

De rode bosmier bouwt een onderaards nest dat boven de grond bedekt wordt door een koepel van plantenresten, zoals dennenaalden, en waar het heel wat warmer is dan in de onmiddellijke omgeving.

Terug naar de insecten databank

Ga naar de ongedierte databank